De spelregels

logo rules

Je hebt vier vormen van aangepast badminton:

  • zitbadminton
  • staand badminton  - upper disability (beperking boven de heup)
  • lower disability (beperking onder de heup)
  • rolstoelbadminton
  • kleine mensen

 

 

overzicht tekening speelveld

 

tekening speelveld enkel staand

 

tekening speelveld dubbel staand

tekening dubbelspel rolstoel

 

tekening enkelspel rol

                    

tekening nethoogte

 

 

Spelregels aangepast badminton. Cursieve tekst geeft de wijziging aangepast badminton weer  t.o.v. het valide spel.

DEFINITIES
Speler 
Iemand die badminton speelt
Partij *)
Een krachtmeting tussen 1 of 2 spelers aan iedere zijde
Partij *)
De 1 of 2 spelers aan één zijde van het net
Enkelspel
Een partij met één speler aan iedere zijde
Dubbelspel
Een partij met twee spelers aan iedere zijde
Serverende partij
De partij die mag serveren     
Ontvangende partij
De partij tegenover de serverende partij  
Rally
Een slagenwisseling van één of meer slagen beginnend 
met de service
Slag
Een voorwaartse beweging van het racket van een speler

*) Opmerking: Uit de context is duidelijk in welke zin de term “partij’ wordt gebruikt.

Spelregel 1
Baan en baanuitrusting
1. De baan moet een rechthoek zijn die is uitgezet met 40 mm brede lijnen zoals aangegeven in figuur A. Voor aangepast badminton gelden de onderstaande banen zoals in bovenstaande tekeningen zijn aangegeven.  
2. De belijning van de baan moet gemakkelijk te onderscheiden zijn en bij voorkeur een witte of gele kleur hebben.
3. Alle lijnen maken deel uit van het gebied dat zij begrenzen.
4. De palen moeten 1.55 m hoog zijn gemeten vanaf de vloer. Zij moeten loodrecht blijven staan wanneer het net is gespannen zoals aangegeven in spelregel 1.10. De palen of de paalsteunen mogen niet voorbij de zijlijn voor dubbelspel binnen de baan staan. De palen moeten de onderstaand beschreven hoogte hebben gemeten vanaf de vloer en moeten loodrecht blijven staan wanneer het net is gespannen zoals aangegeven in spelregel 1.10:
1. Zitbadminton  :          1.20 meter
2. Rolstoelbadminton :   1.55 meter
3. Staand badminton :    1.55 meter.
5. De palen moeten op de zijlijnen van de baan voor dubbelspel staan zoals aangegeven in figuur A ongeacht of er enkelspel of dubbelspel wordt gespeeld.
6. Het net moet gemaakt zijn van dun koord van een donkere kleur en gelijke dikte met mazen van minimaal 15 mm en maximaal 20 mm in het vierkant.
7. Het net moet 760 mm hoog zijn en tenminste 6.10 m breed.
8. De bovenkant van het net moet zijn gezoomd met een 75 mm brede witte band, dubbelgeslagen over een door de band geregen koord of draad. De band moet op het koord of de draad rusten.
9. Het koord of de draad moet stevig gespannen zijn. op gelijke hoogte met de bovenkant van de palen.
10. De bovenkant van het net moet in het midden van de baan 1.524 m en bij de zijlijnen voor dubbelspel 1.55 m boven de vloer hangen..De bovenkant van het net moet respectievelijk in het midden en boven de zijlijn voor dubbelspel de onderstaand beschreven hoogte hebben: 
1. Zitbadminton  :          1.176  en  1.20 meter
2. Rolstoelbadminton :   1.522  en  1.55 meter
3. Staand badminton :    1.524  en 1.55 meter
11. Er mag geen ruimte zitten tussen de zijkant van het net en de palen. Zonodig moet het net over de gehele zijkant aan de palen worden gebonden.

 

Figuur A : Baan voor dubbelspel en enkelspel

Figuur A

 

 

Spelregel 2
Shuttle
1. De shuttle moet van natuurlijk materiaal en/of kunststof zijn gemaakt. Ongeacht het materiaal waarvan de shuttle is gemaakt, moeten de vluchteigenschappen in het algemeen gelijk zijn aan die van een shuttle met natuurlijke veertjes en een kurken dop die met een dun lapje leer is overtrokken.
2. De veren shuttle
2.1 De shuttle moet 16 veertjes hebben die in de dop zijn bevestigd.
2.2 De veertjes van een shuttle moeten even groot zijn, gemeten van de top tot aan de bovenkant van de dop. De veertjes moeten tussen 62 en 70 mm lang zijn.
2.3 De toppen van de veertjes moeten een cirkel vormen met een diameter tussen 58 en 68 mm.
2.4 De veertjes moeten met draad of ander geschikt materiaal stevig zijn vastgemaakt.
2.5 De dop moet een diameter hebben tussen 25 en 28 mm en moet een bolle onderkant hebben.
2.6 De shuttle moet een gewicht hebben tussen 4.74 en 5.50 gram.
3. De niet-veren shuttle
3.1 Een kelk of nagemaakte veren van kunststof vervangt de natuurlijke veertjes.
3.2 De dop moet aan de in spelregel 2.2.5 gestelde eisen voldoen.
3.3 De maten en het gewicht moeten overeenstemmen met spelregel 2.2.2, 2.2.3 en 2.2.6. 
Gezien het verschil in soortelijk gewicht en andere eigenschappen van kunststoffen in 
vergelijking met veren, is een afwijking van maximaal 10% toelaatbaar.
4. Op plaatsen waar de atmosferische toestand ten gevolge van hoogte of klimaat de standaardshuttle ongeschikt maakt mag met goedkeuring van de desbetreffende nationale organisatie van de bovenstaande omschrijving worden afgeweken, mits er geen afwijking van belang aan het algemene ontwerp, de snelheid en de vlucht van de shuttle wordt aangebracht.

Spelregel 3
Shuttletest
1. De shuttletest moet met een volle onderhandse slag worden uitgevoerd, waarbij de shuttle boven de achterlijn wordt geraakt. De shuttle moet onder een opwaartse hoek worden geslagen evenwijdig aan de zijlijnen.
2. Een shuttle met de juiste snelheid moet tussen 530 mm en 990 mm vóór de tegenoverliggende achterlijn neerkomen, zoals aangegeven in figuur B.

FIGUUR B: EVENTUELE MERKTEKENS VOOR SHUTTLETEST OP DUBBELBAAN

figuur B

 

Spelregel 4
Racket
1. Het racket moet een frame zijn met een totale lengte van maximaal 680 mm en een totale breedte van maximaal 230 mm. De belangrijkste delen van het frame worden beschreven in spelregel 4.1.1 tot en met 4.1.5 en geïllustreerd in figuur C.
1. Het handvat is het deel van het racket waarmee een speler het racket vasthoudt.
2. De bespanning is het deel van het racket waarmee een speler de shuttle dient te slaan.
3. Het blad van het racket omringt de bespanning.
4. De steel van het racket verbindt het handvat met het blad (zie ook spelregel 4.1.5).
5. De hals van het racket (indien aanwezig) verbindt de steel met het blad.

Figuur C : Racket

figuur C

2. De bespanning:
1. moet vlak zijn en moet bestaan uit een patroon van gekruiste snaren. De snaren dienen om en om te zijn gevlochten, of te zijn gebonden op de plaatsen waar zij elkaar kruisen. Het patroon van snaren moet zoveel mogelijk gelijkmatig zijn, in het bijzonder moet de bespanning in het midden niet minder dicht zijn dan op andere plaatsen;
2. mag niet langer zijn dan 280 mm en niet breder dan 220 mm. De snaren mogen echter doorlopen in het deel dat anders zou worden gevormd door de hals, maar
1. deze overloop mag niet breder zijn dan 35 mm en
2. het gehele bespannen oppervlak mag in dit geval niet langer zijn dan 330 mm.
3. Het racket:
1. mag niet zijn voorzien van aanhangsels of uitsteeksels, met uitzondering van die  welke uitsluitend tot doel hebben slijtage en trilling te beperken of te voorkomen, het  gewicht gelijkmatig te verdelen, of het handvat van het racket d.m.v. een koord aan de hand van de speler te bevestigen. De grootte en positie van de aanhangsels of 
uitsteeksels moeten in overeenstemming zijn met hun functie; 
2. mag niet zijn voorzien van middelen waarmee een speler de vorm van het racket  wezen lijk kan veranderen.

Spelregel 5
Toegestaan materiaal
De ISF bepaalt of een racket, shuttle of ander materiaal of prototypes die worden gebruikt bij het spelen van badminton voldoen aan de gestelde eisen. De ISF kan dit doen op eigen initiatief of op verzoek van iedereen die hiervoor een gegronde reden heeft, zoals spelers, wedstrijdfunctionarissen, fabrikanten, nationale organisaties en hun leden.

 

Spelregel 6
Toss
1. Voordat het spel begint moet er getost worden. De winnaar van de toss moet kiezen uit de mogelijkheden genoemd in spelregel 6.1.1 of 6.1.2:
1. eerst serveren of eerst ontvangen;
2. aan de ene dan wel aan de andere kant van het net beginnen.
2. De verliezer van de toss maakt vervolgens de overgebleven keuze.

 

Spelregel 7 - Telling

  1. De partij die het eerst 21 punten scoort wint de game, behalve bij een stand van 20-20. Bij die situatie wint een partij die het eerst 2 punten voorsprong behaalt in de game. Bij de stand 29-29 wint de partij die het eerst het 30e punt scoort.
  2. De partij die de rally wint scoort een punt. Een partij wint een rally wanneer de tegenstander een fout maakt of als de shuttle niet langer in spel is omdat deze binnen de speelhelft van de tegenstander de vloer raakt.
  3. De partij die een game wint begint met serveren in de volgende game.

Op 20 mei 2014 heeft de BWF als test een nieuwe telling geïntroduceerd. Hiermee moet het spel attraktiever en sneller worden. De telling gaat dan tot 11 punten. Geen twee punten verschil meer, en maximaal 5 sets. Degene die drie sets heeft gewonnen is de winnaar. Dit betekend ook dat als er drie sets achter elkaar gewonnen worden, de winnaar bekend is, en het spel kan stoppen. Lees hier het persbericht. Bij de KIS hebben we deze telling een aantal keren uitgeprobeerd en het spel wordt inderdaad sneller en spannender. Een aanrader dus! Meestal wordt een proef omgezet in definitief beleid. Daarop is het momenteel afwachten. Waarschijnlijk per 2015 of 2016.

Spelregel 8
Wisselen van speelhelft
1. Spelers moeten van speelhelft wisselen:
1. na afloop van de eerste game;
2. na afloop van de tweede game indien er een derde game moet worden gespeeld;
3. in de derde game zodra één van de partijen 11 punten heeft gescoord.
2. Indien niet op de in spelregel 8.1 aangegeven wijze van speelhelft is gewisseld, moet dit alsnog gebeuren zodra de vergissing is opgemerkt en de shuttle niet in spel is. De dan bereikte stand blijft gehandhaafd.

 

Spelregel 9
Service
1. Bij een correcte service:
1. mag geen van de partijen het slaan van de service onnodig vertragen zodra serveerder  en ontvanger gereed zijn. Elke vorm van vertraging bij het beginnen van de service  (zie spelregel 9.2) nadat de achterwaartse beweging van het racketblad van de  serveerder is afgerond dient als een onnodige vertraging te worden beschouwd;

   2. moeten de serveerder en de ontvanger binnen schuin tegenover elkaar liggende  serveervakken staan, (figuur A) waarbij zij de grenslijnen van de serveervakken niet  mogen raken; Moeten de serveerder en de ontvanger binnen schuin tegenover elkaar  liggende serveervakken staan, of zich binnen hun respectievelijke serveervakken  bevinden zonder de grenslijnen van de serveervakken te raken.

   3. moet enig deel van beide voeten van de serveerder en de ontvanger in stilstaande  positie in contact met de vloer blijven vanaf het begin van de service (zie spelregel  9.2) totdat de service is geslagen (zie spelregel 9.3); In het staand badminton bij een  handicap aan het bovenlichaam kan de serveerder slechts spelen en serveren met één 
hand en moet enig deel van beide voeten van de serveerder en ontvanger in stilstaande  positie in contact met de vloer blijven vanaf het begin van de service (zie spelregel  9.4) totdat de service is geslagen; in staand badminton bij een handicap aan het onderlichaam, moet de speler serveren en ontvangen zoals is bepaald in spelregel  9.3.1  behalve dat slechts één voet in stilstaande positie in contact met de vloer moet 
blijven.

4. moet het racket van de serveerder eerst de dop van de shuttle raken;

5. moet de shuttle op het moment dat het racket van de serveerder deze raakt zich geheel  onder het middel van de serveerder bevinden. "Het middel" is in dit verband een  denkbeeldige lijn rond het lichaam van de serveerder, lopend over het laagste punt  van beide onderste ribben; in staand badminton moet de shuttle zich geheel onder het 
middel van de serveerder bevinden op het moment dat hij door het racket van de  serveerder wordt geraakt; in zitbadminton en rolstoelbadminton moet de shuttle zich  geheel onder de oksel van de serveerder bevinden op het moment dat hij door het  racket van de serveerder wordt geraakt.

   6. moet op het moment dat de shuttle wordt geraakt de steel van het racket van de  serveerder naar beneden wijzen;

7. moet de beweging van het racket van de serveerder ononderbroken voorwaarts zijn  vanaf het begin van de service (zie spelregel 9.2) totdat de service is geslagen (zie  spelregel 9.3);

8. moet de shuttle het racket van de serveerder in een opwaartse vlucht verlaten en  vervolgens over het net gaan zodat hij, wanneer hij niet wordt teruggeslagen, in het  serveervak van de ontvanger valt (d.w.z. op of binnen de grenslijnen);

   9. mag de serveerder de shuttle niet misslaan. Bij het serveren in rolstoelbadminton  mogen de serveerder en ontvanger niet krachtig bewegen, maar als gevolg van de  service actie mag de serveerder een kleine beweging maken.

2. Zodra de spelers klaar zijn om te serveren en te ontvangen, bepaalt het begin van de  voorwaartse beweging van het racketblad van de serveerder het begin van de service.

3. Nadat de service is begonnen (zie spelregel 9.2), is de service geslagen zodra de shuttle  door het racket van de serveerder wordt geraakt of de serveerder de shuttle misslaat bij  een poging om te serveren.

  1. De serveerder mag niet serveren voordat de ontvanger klaar is. De ontvanger wordt echter geacht klaar te zijn geweest indien hij probeert de service terug te slaan.

 

5. In het dubbelspel mogen de partners van de serveerder en de ontvanger tijdens het slaan van de service binnen hun speelhelft gaan staan waar zij willen, zolang zij de serveerder  of ontvanger aan de andere zijde het uitzicht niet belemmeren.

6. Bij het dubbelspel in staand badminton mogen de partners van de serveerder en de ontvanger gaan staan waar zij willen, zolang zij de serveerder of ontvanger aan de andere zijde het uitzicht niet belemmeren. Bij het dubbelspel in zitbadminton en rolstoelbadminton moeten de partners zich bevinden in het andere serveervak.

 

Spelregel 10
Enkelspel
1. Serveervakken

  • De spelers serveren vanuit en ontvangen in het rechter serveervak, als de serveerder geen punten of een even aantal punten heeft gescoord in de game. De spelers moeten de service slaan vanuit, en ontvangen in hun respectievelijke serveervakken.

      2.  De spelers serveren vanuit en ontvangen in het linker serveervak, als de serveerder 
een oneven aantalpunten heeft gescoord in de game.

2. Volgorde van spelen en positie op de baan

Tijdens een rally wordt de shuttle beurtelings door de serveerder en de ontvanger geslagen vanaf elke willekeurige positie aan de eigen zijde van het net totdat de shuttle niet langer in spel is (zie spelregel 15).

3. Scoren en serveren

  • Als de serveerder een rally wint (zie spelregel 7.3), scoort de serveerder een punt.

      De serveerder serveert dan opnieuw vanuit het andere serveervak. 
2.  Als de ontvanger een rally wint (zie spelregel 7.3), scoort de ontvanger een punt. De  ontvanger wordt dan de nieuwe serveerder.

 

 

Spelregel 11
Dubbelspel
1. Serveervakken
1. Een speler van de serverende partij serveert vanuit het rechter serveervak, als zijn partij geen punten of een even aantal punten heeft gescoord in de game. Een speler van de serverende partij serveert vanuit het rechter serveervak, als zijn partij geen punten of een even aantal punten heeft gescoord in de game.
2. Een speler van de serverende partij serveert vanuit het linker serveervak, als zijn partij een oneven aantal punten heeft gescoord in de game. Een speler van de serverende partij serveert vanuit het linker serveervak, als zijn partij een oneven aantal punten heeft gescoord in de game.
3. De speler van de ontvangende partij die het laatst heeft geserveerd ontvangt in het vak van waaruit hij het laatst heeft geserveerd. Op de partners is het omgekeerde van toepassing.  De speler van de ontvangende partij die het laatst heeft geserveerd ontvangt in het vak van waaruit hij het laatst heeft geserveerd. Op de partners is het 
omgekeerde van toepassing.
4. De speler van de ontvangende partij die in het diagonaal tegenover de serveerder  liggende serveervak staat is de ontvanger. De speler van de ontvangende partij die in het diagonaal tegenover de serveerder  liggende serveervak staat is de ontvanger
5. De spelers wisselen niet van serveervak totdat zij een punt scoren tijdens hun eigen servicebeurt. De spelers wisselen niet van serveervak totdat zij een punt scoren tijdens  hun eigen servicebeurt
6.In elke servicebeurt is aantal punten van de serverende partij bepalend voor het vak van waaruit de service moet worden geslagen, behalve in gevallen waarin spelregel 12 van toepassing is. In elke servicebeurt is aantal punten van de serverende partij bepalend voor het vak van waaruit de service moet worden geslagen, behalve in gevallen waarin spelregel 12 van toepassing is.

 

2. Volgorde van spelen en positie op de baan

Nadat de service is teruggeslagen, wordt de shuttle tijdens een rally beurtelings door één van de spelers van
de serverende partij en één van de spelers van de ontvangende partij geslagen vanaf elke willekeurige positie aan de eigen zijde van het net totdat de shuttle niet langer in spel is (zie spelregel 15).

3. Scoren en serveren

  • Als de serverende partij een rally wint (zie spelregel 7.3), scoort de serverende partij een punt. De serveerder serveert dan opnieuw vanuit het andere serveervak.
  • Als de ontvangende partij een rally wint (zie spelregel 7.3), scoort de ontvangende partij een punt. De  ontvangende partij wordt dan de serverende partij.

4. Volgorde van serveren

    In elke game vervalt het recht van serveren achtereenvolgens:
1. van de eerste serveerder die de game vanuit het rechter serveervak is begonnen,
2. aan de partner van de eerste ontvanger, waarbij de service vanuit het linker  serveervak moet worden geslagen;
3. dan aan de partner van de eerste serveerder;
4. dan aan de eerste ontvanger;
5. dan weer aan de eerste serveerder enzovoorts.

5. Een speler mag niet voor zijn beurt serveren of ontvangen of in dezelfde game twee opeenvolgende services ontvangen, behalve wanneer spelregel 12 van toepassing is.

  1. Elk van beide spelers van de partij die een game wint mag in de volgende game beginnen met serveren en elk van beide spelers van de verliezende partij mag in de volgende game beginnen met ontvangen.

 

Spelregel 12
Opstellingsvergissingen
1. Een speler maakt een opstellingsvergissing als hij:
1. voor zijn beurt heeft geserveerd of ontvangen;
2. vanuit het verkeerde serveervak heeft geserveerd of in het verkeerde serveervak heeft ontvangen;
2. Wanneer een opstellingsvergissing wordt ontdekt moet deze worden gecorrigeerd waarbij de bereikte stand gehandhaafd blijft.

Spelregel 13
Fouten
Het is een fout:
1. als de service niet goed wordt uitgevoerd (zie spelregel 9.1 );
2. als bij het serveren de shuttle:
1. op het net terechtkomt en daarop blijft steken;
2. na over het net te zijn gegaan daarin blijft steken;
3. wordt teruggeslagen door de partner van de ontvanger;

3. als tijdens het spel de shuttle:

   1. buiten de lijnen van de baan valt (d.w.z. niet op of binnen de lijnen);
2. door het net gaat of onder het net doorgaat;
3. niet over het net gaat;
4. het plafond of de muren raakt;
5. het lichaam of de kleding van een speler raakt; In het rolstoelbadminton wordt de gehele rolstoel beschouwt als deel van de persoon van de speler.
6. iets of iemand anders raakt buiten de baan;
(Waar dit nodig is vanwege de bouw van een hal, mag de lokale organisatie onder het recht van veto van de nationale organisatie een regeling treffen voor het geval een 
shuttle een obstakel raakt.)

  • wordt opgevangen en vastgehouden op het racket en daarna bij het uitvoeren van de slag wordt teruggeslingerd;
  • twee maal achtereenvolgens door dezelfde speler wordt geraakt; het is echter geen

      fout wanneer de  shuttle in één slag zowel met het blad als met de bespanning wordt geraakt;
9. achtereenvolgens door een speler en diens partner wordt geslagen;
10. het racket van een speler raakt en zijn vlucht niet vervolgt in de richting van de speelhelft van de tegenstander;

4. als tijdens het spel een speler:

   1. het net of de netsteunen raakt met zijn lichaam, kleding of racket;
2. boven het net met racket of lichaam binnen de speelhelft van zijn tegenstander komt,  behalve dat een speler na de shuttle op eigen speelhelft te hebben geraakt, deze in de  uitvoering van zijn slag met zijn racket over het net mag volgen;
3. onder het net met racket of lichaam op zodanige wijze binnen de speelhelft van zijn  tegenstander komt, dat deze wordt gehinderd of afgeleid;
4. ten opzichte van zijn tegenstander obstructie pleegt, d.w.z. zijn tegenstander  verhindert een goede slag te maken waarbij deze de shuttle over het net volgt;
5. zijn tegenstander opzettelijk afleidt bijvoorbeeld door roepen of het maken van  gebaren;

5. als een speler zich schuldig maakt aan ernstige, herhaaldelijke of aanhoudende overtredingen zoals bedoelt in spelregel 16.

 

Spelregel 14
Let
1. Een let moet worden gegeven door de scheidsrechter of, indien zonder scheidsrechter wordt gespeeld, door een speler om het spel te onderbreken.

2. Het is een let wanneer:

   1. de serveerder serveert voordat de ontvanger klaar is (zie ook spelregel 9.4);
2. bij het serveren de serveerder en de ontvanger beiden worden bestraft;
3. nadat de service is teruggeslagen de shuttle:
1. op het net terecht komt en daarop blijft steken, of
2. na over het net te zijn gegaan daarin blijft steken;
4. tijdens het spel de shuttle uiteenvalt en de dop geheel losraakt van de rest van de shuttle;
5. naar de mening van de scheidsrechter een coach het spel verstoort of de andere partij  afleidt;
6. een lijnrechter het uitzicht wordt belemmerd en de scheidsrechter niet in staat is een  beslissing te nemen;
7. zich een onvoorziene of toevallige gebeurtenis voordoet.

3. In geval van een let wordt het spel vanaf de laatste service geneutraliseerd en moet de  speler die het laatst  serveerde opnieuw serveren.

Spelregel 15
Shuttle niet in spel
Een shuttle is niet in spel als:

  1. de shuttle het net of een paal raakt en vervolgens aan de zijde van de partij die de shuttle het laatst heeft geslagen naar beneden valt;
    2. de shuttle de vloer van de baan raakt;
    3. een fout wordt gemaakt of een let is gegeven.

Spelregel 16
Ononderbroken spel, wangedrag en straffen
1. Er moet ononderbroken worden gespeeld vanaf de eerste service totdat de partij is  afgelopen, behalve in de in spelregel 16.2 en 16.3 genoemde gevallen en de hieronder toegevoegde spelregels 16.9 en 16.10.
2. Pauzes 
De volgende pauzes zijn toegestaan in alle partijen:
1. een pauze van maximaal 60 seconden tijdens de game zodra één van de partijen 11 punten hebben gescoord;
2. een pauze van maximaal 120 seconden tussen de eerste en de tweede game en tussen de tweede en derde game.
(Bij partijen op televisie kan de Referee vóór de partij beslissen dat pauzes zoals in spelregel 16. 2 verplicht zijn en een vaste tijdsduur hebben).
3. Onderbreking van het spel
1. Wanneer omstandigheden buiten de macht van de spelers dit noodzakelijk maken, kan de scheidsrechter het spel zolang onderbreken als hij noodzakelijk acht.
2. Onder speciale omstandigheden kan de Referee de scheidsrechter opdragen het spel  te onderbreken.
    3. Als het spel wordt onderbroken, blijft de stand van dat moment gehandhaafd en moet  het spel bij die stand worden hervat.
4. Vertragen van het spel
1. Onder geen voorwaarde mag het spel worden opgehouden teneinde een speler in  staat te stellen zijn krachten te herstellen of op adem te komen of aanwijzingen te  ontvangen.
2. De scheidsrechter is de enige die beslist of er sprake is van vertragen van het spel.
5. Coachen en het verlaten van de baan
1. Een speler mag tijdens een partij alleen aanwijzingen ontvangen wanneer de shuttle  niet in spel is . (Spelregel 15).
2. Een speler mag tijdens een partij de baan niet verlaten zonder toestemming van de  scheidsrechter, behalve tijdens de pauzes genoemd in spelregel 16.2.
6. Het is een speler niet toegestaan:
1. opzettelijk een vertraging of onderbreking in het spel te veroorzaken; 
2. opzettelijk de shuttle te veranderen of te beschadigen teneinde de snelheid of de  vlucht van de shuttle te beïnvloeden;
3. zich aanstootgevend te gedragen;
4. zich te misdragen op een wijze die niet anderszins in de Spelregels van Badminton is  omschreven.
7. Afhandeling van overtredingen
1. De scheidsrechter moet een overtreding van spelregel 16.4, 16.5 of 16.6 als volgt  bestraffen:
1. hij waarschuwt de partij in overtreding;
2. hij geeft de partij in overtreding een fout, indien deze al eerder werd 
gewaarschuwd. Bij twee van dit soort fouten van dezelfde partij is er sprake  van aanhoudende overtredingen;
2. in geval van een ernstige overtreding, aanhoudende overtredingen of bij overtreding  van spelregel 16.2 geeft hij de partij in overtreding een fout en meldt het gebeurde onmiddellijk aan de Referee, die gerechtigd is de partij in overtreding voor de partij te  diskwalificeren.

9. Een pauze van maximaal 3 minuten om te katheteriseren; in deze pauze mag de speler de baan verlaten en dient begeleid te worden door een official.
10.Het is toegestaan dan een speler een beschadigde rolstoel repareert, mits dit op de snelst mogelijke manier gebeurt; indien de speler de baan daarvoor moet verlaten, dient hij/zij begeleid te worden door een official.

Spelregel 17
Wedstrijdfunctionarissen en beroep
1. de Referee heeft de algehele controle over het toernooi of evenement waarvan een partij  deel uit maakt.
2. De scheidsrechter, indien deze is aangesteld. heeft de controle over de partij, de baan en de onmiddellijke omgeving daarvan. De scheidsrechter is verantwoording schuldig aan de Referee.
3.De servicerechter moet de door de serveerder gemaakte servicefouten aangeven als 
deze zich voordoen (spelregel 9.1).
4. Een lijnrechter moet aangeven of een shuttle "in" of "uit" valt voor de Lijn(en) waarvoor hij is aangesteld.
5. De beslissing van een wedstrijdfunctionaris is bindend voor alle feitelijke beslissingen waarvoor de functionaris verantwoordelijk is, behalve dat, wanneer naar de mening van de scheidsrechter, er geen gerede twijfel bestaat dat de lijnrechter duidelijk een onjuiste  beslissing heeft genomen, de scheidsrechter deze beslissing moet corrigeren.
6. Een scheidsrechter moet: 
1. zorgen voor de juiste toepassing van de spelregels en in het bijzonder een fout of let geven in voorkomende gevallen;

2. een beslissing nemen bij ieder protest over een geschilpunt, mits wordt geappelleerd  voordat de volgende service is geslagen;
3. erop toezien dat spelers en toeschouwers op de hoogte blijven van het verloop van de  partij;
4. in overleg met de Referee lijnrechters of een servicerechter aanstellen of vervangen;
5. zorg dragen voor de uitvoering van de taken van andere wedstrijdfunctionarissen  indien deze niet zijn aangesteld;
6. indien een aangestelde functionaris het uitzicht wordt belemmerd, diens taak overnemen of een let laten spelen;
7. alles wat tijdens een partij betrekking heeft op spelregel 16 vastleggen en melden aan  de Referee;
8. een beroep tegen zijn interpretatie van de spelregels aan de Referee voorleggen. (Een  dergelijk beroep is alleen mogelijk voordat de volgende service is geslagen, of bij het  einde van een partij, voordat de in beroep gaande partij de baan heeft verlaten.)

Spelregel 18
Beperking van bewegingsvrijheid

  1. In rolstoelbadminton moet op het moment dat de speler de shuttle slaat, enig deel van de romp in contact zijn met de zitting van de rolstoel. In geen geval moet een deel van de voeten in contact komen met de vloer.
  2. Wanneer de shuttle in spel is, moeten de voeten in contact blijven met de voetsteun. De voeten mogen aan de voetsteun zijn vastgemaakt.
  3. In geen geval moet een deel van de voeten in contact komen met de vloer, wanneer de shuttle in spel is. In het bijzonder mag een speler de voeten niet gebruiken om te remmen of voor steun.
  4. Op het moment dat een speler de shuttle raakt en juist daarvoor, mag hij/zij niet voor steun aanraken.
  5. Wanneer de shuttle in spel is, mag een aangebrachte voetsteun de vloer niet raken.

 

Spelregel 19
Uitrusting van de rolstoel

  1. Het lichaam van de speler mag zijn vastgemaakt aan de rolstoel met een elastische riem.
  2. Een rolstoel mag zijn voorzien van een steunwiel aan de achterzijde, dat verder dan de wielen naar achteren mag uitsteken.

Onze sponsoren